Geert Zomer - Jetje uit Harderwijk


Moeder zei de letters voor,
zo spelde ik mijn naam.
Op straat deed ik de hinkelstap,
op het stoepje voor ons raam.

Als wij gingen wandelen in de stad
lag de synagoge er stil bij.
Moeder zei dat het oorlog was.

Wij doken onder voor de boze mannen
maar wij werden opgepakt.
Ruw namen zij ons mee.
Op het station streek moeder liefdevol mijn haren glad.

Er klonken barse stemmen
maar ook zachte, die mij de sterren wezen.
Ik droomde dat ik thuis was
maar ik schrok wakker door het schudden van de trein.

Wij kwamen aan in Sobibor,
moeder hield mijn hand goed vast.


Ik deed mijn laatste stappen.


Geert Zomer,
de Stadsdichter van Harderwijk


25 januari 2013
*Jetje Härtz (1940 – 1943), ter gelegenheid van de Herdenking
21 Joodse Harderwijkers.

 

stadsgedichten
2011

1 Een maatje 8 Echte zeebonk
2 Pure passie 9 Een festival voor iedereen
3 Niets dan de waarheid 10 Groene ziel 
4 Klein maar groot 11 Vleugels
5 Uit de as herrezen 12 100 jaar vuur
6 Harderwijk 8 mei 1446 13 Koepelglas
7 Stemmen, ruwe inborst en spektakel 14 Afscheid
   
   

 

stadsgedichten
2012

1 Nieuwjaarsduik 6 Het meisje van een soldaat
2 Vlucht 7 De Visser
3 Vriendschapsboom 8 Dichtbij
4 De wegenmenner  9 Alles van waarde is weerloos
5 Lalaland  
   

 

stadsgedichten
2013

1 Zandkastelen 2 Jetje uit Harderwijk