Henk Ruiter - Ode (aan de moeder de vrouw)


 

 

liggend op de koude stille wei 

denk ik aan Nijhoff en de brug bij Bommel - 

hij moet ongeveer ook zo hebben gelegen 

kijken naar de overzijden die elkaar schijnbaar hadden gemeden 

zoiets als de polder die je met mooi weer zo ongeveer kunt zien van hier. 

 

Het strand in mijn blikveld, de lichtjes van Walhalla in het donker. Als ik 

mijn ogen sluit hoor ik de boten aanmeren aan de  

steiger, kinderen spelen op het zand. Moeders in  

slordige strandjurken op de veranda met witte wijn of een koud biertje. 

 

Moeders: in de supermarkt, moeders aan het werk 

moeders achter laptops zzp’end en voor de rest  

alle moeders op de fiets met duizend dingen te doen 

 

Denkend aan Nijhoff denk ik aan moeders en oma's 

de handen paars van de rode kool 

in de weer met een grasmaaier 

oogsten aan het einde van de zomer, 

uit de tuin getrokken groente in de gootsteen, 

gehaktballen draaien met beschuit en ei –  

ze neurieden misschien wel psalmen, vanuit een diepgelovig hart 

 

de moeder de vrouw, ze zat vroeger thuis op ons te wachten  

paarse handen in het schort, de kopjes thee; 

vandaag zit ze even bij Walhalla in de zon –  

ook al heeft ze altijd, altijd duizend dingen te doen. 

 

– Henk Ruiter  

30 maart 2019

 

Geschreven voor en voorgedragen bij de opening van De Grote Lezershow, een literaire avond in de
Boekenweek en georganiseerd door de Bibliotheek en Walhalla. Te gast waren schrijvers Herman Brusselmans
en Pepijn Lanen. Het thema van de Boekenweek 2019 was ‘De Moeder de Vrouw’, naar het gelijknamige gedicht
van Martinus Nijhoff. In dit Stadsgedicht zitten een paar verwijzingen naar dat gedicht.
Het beroemde gedicht van Nijhoff:

DE MOEDER DE VROUW
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.